Een winterse sigaar
Bij een winterse wandeling langs de oever van een watertje kwamen we de bekende “sigaren” tegen. De grote lisdodde valt op omdat deze hoog boven de andere planten uitsteekt.

Mijn vader vertelde over kwajongensstreken. Zo werd de lisdodde vroeger nog wel eens aangestoken. En sprak men over “stinksigaar” omdat deze erg veel rook veroorzaakte. Deze aren zijn namelijk erg handig voor het aanmaken van vuur en langdurige rook. De lisdodde is vaak verankerd aan kruipende wortelstokken, in een zeer voedselrijke omgeving en niet aan grote open wateren maar meer aan plassen. Het is een zogenaamde pionier plant in pas onder water gezet land, en geeft aan dat een moerassig watertje langzaam verandert in land. De bruine sigaren zijn de gedroogde rijpe vrouwelijke aren van de grote lisdodde. Soms zie je een kaal stukje bovenop de “sigaar” zitten, dit is de mannelijke aar. In de maanden juni-juli is de bloeiperiode en komt er geel stuifmeel van de mannelijke aar. Dit stuifmeel valt op de stempels van de onderliggende vrouwelijke sigaar en dan vindt de bevruchting plaats. Na de zaadzetting ontploft de vrouwelijke aar in een pluizige massa die door de wind wordt meegevoerd. Ze vallen in het water en daar laten de zaden zich nog een stukje meevoeren voordat het zaadje naar de bodem zinkt en voor een nieuwe plant zorgt. Een goed uitgetest systeem, want er zijn pollen van deze waterplant gevonden bij opgravingen, helemaal afkomstig uit het Plioceen! ( Het laatste tijdvak vóór de grote ijstijden van het Pleistoceen)
Sandra Bak-natuurgids bij Stichting Lingewaard Natuurlijk