Struintocht zondag 21 januari 2018  

Natuurgidsen: Alice Kuijf en Jos Peters

Na de vele regenachtige dagen en de hevige storm van deze week, was de zonneschijn vandaag extra welkom en zorgde voor goede zin. Het is heerlijk om dan een excursie in het vooruitzicht te hebben. Met 7 volwassen en 4 kinderen gingen we vol goede moed op pad voor een wat langere struintocht. Ons tempo werd al gauw langzamer toen we de dijk afgingen. De velden voor het Beverbos waren gevuld met ganzen. De telescoop werd in stelling gebracht.

Hoorden we dat hoge ietwat scherpe gegak? Wist iedereen wel wat een kol was? De bevestiging kwam al vlug. Bij de kolgans zit een witte kol net boven de snavel. En dan zijn er nog van die veelvormige zwarte strepen op de buik. Deze groep ganzen bestond vooral uit kolganzen die we door de telescoop goed konden zien. Alle kenmerken waren aanwezig. De kinderen vonden het prachtig. Over het algemeen kun je verschillende varianten van diersoorten niet over een kam scheren. Maar vooral voor kolganzen dient een mens respect te hebben. Die hebben een lange reis achter de rug! En in maart vliegen ze weer terug naar Siberië om daar te broeden. 

Kolganzen zijn helemaal uit West-Siberië gekomen en hebben zo’n 3000 tot 4500 km gevlogen. Het zijn trekvogels die door de ijzige kou in Siberië geen voedsel meer kunnen vinden. Hier kunnen ze aansterken door het eiwitrijke gras te eten dat hier groeit. Ze mogen dus niet opgejaagd worden en daarom proberen we om geen herrie te maken en afstand te houden.

 

Grauwe ganzen worden tegenwoordig met minder egards behandeld. Die trekken haast niet meer weg, omdat ze hun kostje hier voor het oprapen hebben. Dat komt, omdat de boeren hun velden veel bemesten en het gras zo voedselrijk wordt. Vanaf de jaren tachtig gaan de grauwe ganzen niet terug in de lente, maar broeden hier. Daardoor zijn ze dikker en groter geworden en is hun aantal zo toegenomen, dat de boeren en het vliegverkeer er last van hebben.

We lopen verder en bekijken wat kuifeenden met hun ‘gouden ogen’ op de grote plas. Ook de ontstaansgeschiedenis van deze plas wordt verteld. Nu weten de zand- en kleiwinners beter, hoe ze met minder schade voor het natuurleven klei en zand kunnen winnen dan destijds, toen deze plas tot stand kwam. We lopen door tot we halverwege de Ambtswaard bij een pad komen, waar je in de lente en zomer beslist niet mag en kan komen, omdat daar grutto’s broeden. Nu lukt dat wel en dat biedt variatie! Langs dit pad zijn in de zomer altijd graspiepers en roodborsttapuiten te vinden die op de paaltjes zitten.  Er vliegt een groepje putters al kwebbelend voorbij.

Als we de oevers voor de nieuwe plassen ten westen van de Ambtswaard naderen, merken we dat er veel brandganzen zitten. We bekijken ze, maar dit keer niet lang. Ze zijn niet gediend van ons bezoek en vliegen weg. In de verte zien we de grote zilverreiger. Bij de oever zien we een dodaars en later ontdekken we er nog drie. Hun dot van een aarsje kunnen we niet goed genoeg bekijken, maar het formaat doet toch aan een dodaars denken.

Dan begint het echte avonturierswerk. We struinen door kruisende takken en langs modderige paadjes. We banen ons een weg door het bos van elzen, populieren, wilgen en kornoeljes. De kinderen worstelen zich moedig door het gebied en laten zich niet kennen. De volwassenen doen ook hun best om er doorheen te komen.

Aan de rand van het bos, zien we vlakbij een haas wegspurten. Gek genoeg, hij komt even een stukje terug en laat zich goed door ons bewonderen, alvorens hij het hazepad kiest.

Gisteren tijdens het voorwandelen zagen wij hier maar liefst vier reeën wegvluchten. Jammer dat we ze nu niet zien, maar misschien ook goed. Gisteren waren wij de reden waarom ze zo hard uit het bos renden. En dat kost allemaal veel energie in de winter.

We komen bij de Defensiedijk (een relict uit de Koude Oorlog) aan en zijn dan al bijna bij het sluishuisje en het bevergebied waar we rechts het pad langs de plas betreden. 

Tja, hoe vergaat het de bevers eigenlijk in de winter? Krijgen ze het niet koud in het water en de burcht? Waarom is de beverdam nu weg? Waarom ligt de beverburcht nu hoger en is er een verdwenen? Er liggen heel veel takken in het water. Ter plekke worden hele verhalen verteld. Als de lezer hier graag iets over wil weten of leren, dan kunnen ze mee op pad met onze natuurgidsen. Wel wil ik verklappen dat ze dicht bij elkaar kruipen in deze tijd en dat er dan beverkindjes worden gemaakt die in maart -april het daglicht zien. We vinden ook de prachtige boomstammen die zo karakteristiek door de bevers geveld zijn. En ja, je kunt hun tanden in het hout zien en voelen!

We zijn nu bij een kolk aangekomen. Hoe deze diepe kolk is ontstaan passeert ook de revue. Ten westen van de kolk zien we veel ganzen en ook eendensoorten. We ontwaren krak- en kuifeenden, wilde eenden en een slobeend. Ook bewonderen we twee hybride eenden of zijn het ijseenden die afgedwaald zijn.

Al glibberend door de klei gaan we voort. We zien de grote handvormige achtervoet van de bever in de klei en vele beverwissels en opgangen met stapeltjes takken. 

En dan, voordat we het reigerbos naderen, zien we toch nog een grote groep kramsvogels in de bomen vliegen. Ze maken een mooi rondje voor ons en gaan weer terug de bomen in. Als ik de telescoop erop richt, vinden ze het welletjes en gaan op de vlucht. Niettemin, we hebben ze toch gezien!

We horen nog kool- en pimpelmeesjes langs de rand van de plas. De plassen water op het pad geven de kinderen en volwassenen nog de kans om er doorheen te banjeren en tegelijkertijd ons te ontdoen van de Bemmelse klei. 

Als sluitstuk geeft een mannetje torenvalk én een vrouwtje torenvalk nog een show. Hoe ze op een plek in de lucht kunnen hangen ‘bidden’ en dan met een duikvlucht toeslaan. Helaas - of gelukkig maar voor de muisjes - hadden ze geen succes.

Na een tocht van 2,5 uur komen we voldaan terug bij de Veldschuur met bijzondere natuurervaringen.

Tekst: Alice Kuijf